Over voetballers met standbeelden schreef ik eerder onder meer over Abe Lenstra, Aad Mansveld, Steve van Dorpel en Bobby Robson. Aan dit rijtje voeg ik vandaag Peter Osgood toe. Eerder deze zomer stond ik in Londen voor zijn standbeeld bij ‘zijn’ Stamford Bridge, het stadion van Chelsea FC.

Vrijwel iedere Chelsea supporter betitelt de in 2006 overleden Osgood nog altijd als ‘The King of Stamford Bridge’. Het fundament voor die titel en status werd gelegd op 16 december 1964, als de 17-jarige junior Peter (Leslie) Osgood in het thuisstadion ten overstaan van 7.936 toeschouwers zijn debuut maakt in het eerste elftal van Chelsea. In een team met onder meer de toen 21 jarige en latere Engelse bondscoach Terry Venables.
Een klassiek droomdebuut. Want Chelsea wint het het bekerduel tegen Workington met 2-0 door twee doelpunten van Osgood, de hoofdpersoon van deze blog.

Windsor en droomdebuut
Peter Osgood werd geboren op 20 februari 1947 in Windsor een plaatsje ten zuidwesten van Londen met toen rond de 20 duizend inwoners. Peter Osgood hield niet van school, haalde slechte cijfers en werkte liever met zijn handen in de bouw. Als metselaar.
Zijn prestaties op het voetbalveld van Windsor waren het tegenovergestelde van die op school en vielen op bij Londense profclubs. Nadat Osgood eerst een aanbieding van Arsenal had afgeslagen – hij zag op tegen het reizen- was het zijn oom die hem uiteindelijk met succes in februari 1964 koppelde aan Chelsea FC.
Na zijn eerdergenoemde droomdebuut tien maanden later werd Osgood vanaf zijn 17e een vaste waarde in het eerste elftal van Chelsea. In zijn eerste volle seizoen 1965-1966 scoorde Osgood 10 keer in officiële wedstrijden. Het leverde hem een voorselectie op voor het Engelse WK elftal van 1966.
Uiteindelijk speelde Osgood 380 keer voor Chelsea. In totaal 11 seizoenen. Aaneengesloten van 1964 tot en met 1974 en in het seizoen 1978-1979. In de vier jaren ertussen kwam hij nog uit drie seizoenen uit voor Southampton en een seizoen voor the Philadelphia Fury (1977-1978). In zijn ‘Southampton’ periode werd hij nog drie wedstrijden uitgeleend aan Norwich.

FA Cup en Real Madrid
Zijn meest productieve seizoen was 1969-1970. Toen trof hij 23 keer doel en eindigde hij 2e op de topscorers ranglijst achter Jeff Astle van West Bromwich Albion (25 doelpunten). Osgood was de 9e en tot nu laatste speler die in iedere FA cup ronde heeft gescoord. In totaal maakte hij 150 doelpunten voor Chelsea.
Dat aantal had wellicht nog meer kunnen zijn. Door een beenbreuk, opgelopen tijdens een bekerwedstrijd op 5 oktober 1966, bleef hij maanden aan de kant en miste hij de eerste FA cup finale van Chelsea in mei 1967. Tegen Tottenham Hotspur. Een finale die Chelsea – zonder Osgood- verloor met 2-1. Drie jaar later maakte Osgood zijn gemis goed met een doelpunt in de door Chelsea gewonnen FA cup finale tegen Leeds United.
Een seizoen later, in 1971, won Osgood met Chelsea in Athene de Europacup voor bekerwinnaars door in twee finales Real Madrid te verslaan. Osgood scoorde in beide finales.
Debuut tegen België en BBC doelpunt van het jaar
Alhoewel het na de – ondanks een doelpunt van Osgood-verloren FA cup finale tegen Stoke City in 1972, iets minder ging met de prestaties van Chelsea werd Osgood’s treffer in de kwartfinale van de FA cup 1972-1973 tegen Arsenal uitgeroepen tot BBC doelpunt van het jaar.
Osgood was niet bepaald een man van rust, reinheid en regelmaat. Hij had een playboy imago die vergelijkbaar was met die van zijn tijdgenoot George Best.
Mede daardoor kwam hij wellicht maar tot vier interlands voor Engeland. Osgood’s eerste interland was op 25 februari 1970 tegen België.

Naar Southampton
Zijn losbandige levensstijl bracht hem in 1974 in conflict met manager Dave Sexton die hem uit de selectie zette en op de transferlijst plaatste. Een beslissing die supportersprotesten op Stanford Bridge opleverden. Tevergeefs. Want in maart 1974 werd Osgood voor een clubrecordbedrag van £275.000 verkocht aan Southampton waarmee hij in 1976 opnieuw de FA Cup won na een 1-0 overwinning op Manchester United.
De naar zijn mening te hoge belastingen was voor Osgood een reden om op 12 december 1977 een contract van US $ 90.000 bij de Philadelphia Fury in Amerika te tekenen.
Zijn verblijf in Amerika was geen succes. Slechts één doelpunt in 23 wedstrijden en Osgood keerde in december 1978 terug naar Stamford Bridge waar Chelsea vocht tegen degradatie. Bij zijn rentree tegen Middlesbrough scoorde Osgood opnieuw en zette hij zijn team op voorsprong. Het duel verloor Chelsea uiteindelijk met 7-2. Osgood bleef de rest van het seizoen bij de club en eindigde een half jaar met Chelsea als laatste in de First Divison met als gevolg degradatie naar de Second Division. Petere Osgood speelde zijn laatste wedstrijd op 14 mei 1979 tegen Arsenal (1-1).
Union Pub
In 1981 begon Peter Osgood in Windsor een pub, de The Union Inn. Door zijn aanhoudende kritiek op de club, werd hij in de jaren negentig door voorzitter Ken Bates van Stanford Bridge verbannen. Een ruzie die in 2003 werd bijgelegd waarna Osgood terugkeerde als gastheer op wedstrijddagen.
Peter Osgood overleed op 1 maart 2006 op 59-jarige leeftijd aan een hartaanval tijdens de begrafenis van zijn oom. ‘Chelsea Football Club’s affection and esteem for the man the fans titled the King of Stamford Bridge could not be higher’ aldus het statement van Chelsea direct na zijn overlijden. Op de eerste thuiswedstrijd na zijn overlijden applaudisseerde het publiek minutenlang en volgde de ene na de andere eerbetoon.
Op 1 oktober 2006 werd de as van Peter Osgood begraven onder een penaltystip van Stamford Bridge in bijzin van bijna drieduizend fans, oud-managers, voorzitters, spelers, collega’s en de toenmalige Chelsea selectie (met onder meer Arjen Robben en Frank Lampard). Op 1 oktober 2010 werd zijn standbeeld bij Stamford Bridge in een besloten bijeenkomst onthuld. Stamford Bridge heeft vele helden maar slechts één koning. Peter Osgood.
Categorieën:Stad en land


